Winterpsalm
Dat was me het weekje wel, zo begin dit jaar. Diepvriestemperaturen en nog kouder in de nacht. Sneeuw, heel veel sneeuw, en alom gladdigheid. Nou staan de Psalmen erom bekend dat ze woorden geven aan van alles wat je in je leven kunt tegenkomen, ervaren en meemaken. Het mooie en het lelijke, het goede en het kwade, de glorie en het chagrijn. Zou het nu in de Psalmen van Israël ook gaan over zo’n typisch Hollands winterweekje? Dat vroeg ik me af en ik ging op zoek. En zowaar, daar staat in Psalm 147:
Hij (de HERE) geeft sneeuw als wol, Hij strooit rijp uit als as.
Hij werpt Zijn ijs als stukken; wie is bestand tegen Zijn koude?
Hij zendt Zijn woord en doet alles smelten (verzen16-18a).
Nou, dat hebben we dus geweten. Als een wollen deken bedekte het witte goedje de wereld, ons land, ons eigen aangeharkte tuintje, verloren in schuld. God bedekte als het ware de zonde en maakte alles wit als reine verse sneeuw (Jesaja 1). Maar het blijkt dat niemand bestand is tegen Zijn koude. Wie niet hoefde ging niet naar buiten. Ik wel, want de rijp was zo mooi in de tuin. Als duizenden kristalletjes, gehecht aan een bevroren takje, teer en broos als het leven zelf. Uitgestrooid door de Schepper Zelf, schitterend in Zijn heerlijke licht. Ook in barre wintertijden spreekt God.
Hij zendt Zijn woord en doet alles smelten. Ja, en dat vind ik zo mooi: de HERE laat ons niet in de kou staan. De warmte, waarnaar we verlangen, komt van Hem. Hij doet alles smelten, zegt de Psalmdichter. Niet alleen het ijs en de sneeuw en de rijp. Ook de harten van mensen. Als Zijn woord klinkt worden koude harten warm en vurig, verdwijnt de verkilling naar elkaar. Dan komt er ruimte voor iets nieuws. Het mag opbloeien uit de koude winternacht in de mooiste kleuren. Dan geen rijpkristallen meer aan het takje van de forsythia, maar tere gele bloempjes die verkondigen: Lente!
Groetjes van Klaas.
Diever, 13 januari 2026
Ds. K. Snijder
Advent
Het gebeurt me wel vaker dat ik tot diepe gedachten kom als ik ronddool in mijn geliefde Berkenheuvelbos. Deze novembermaand verdween langzaam de zomerluister om plaats te maken voor de goudgele opmaat van de herfst naar de winter. De zon hield zich wat schuil, tot opeens het licht vrij baan vond. En daar was hij opeens: de ster die door het gebladerte piepte. Licht van boven, met een zachte weerschijn op de grond. Kijk maar eens goed hoe mooi dit samenvalt. Toen ik de foto maakte dacht ik: Advent.
Dit is Advent, de verwachtingsvolle tijd op weg naar het Kerstfeest. God bepaalde mij erbij dat we het straks weer mogen vieren. Zijn liefde priemt als een helder licht in de duisternis van mensengewoel en wereldse ellende op allerlei niveaus. We snakken naar rust en vrede. Maar wat mensen ook verzinnen, God verbreekt de gedachten van de volken, zo zegt Psalm 33.
‘t Enige wat eeuwigheidswaarde heeft is de raad van de HERE. Goddank!
Advent is de tijd van ‘hoe zal ik U ontvangen?’ Maar wie houdt zich nog bezig met die belangrijke vraag? Zovelen schuilen ook nu weer weg in de kilte van kunstlicht en ledlampjes in huizen en tuinen. Het moet vooral gezellig zijn. Maar wat als je niemand hebt om wat gezelligs mee te doen? Als er die lege plek is en de innerlijke wond die nu extra schuurt. Er zijn mensen die juist deze tijd denken: O God, het is zo donker en U bent zo ver… Het was niet de ster van Bethlehem, maar de ster van Berkenheuvel die mij die middag zo blij maakte. Maar de verwijzing is wel duidelijk.
Zoals we zingen met gezang 124:
De zonne, voor wier stralen het nacht’lijk duister zwicht.
en die zal zegepralen, is Christus, ’t eeuwig licht!
Gezegende Kerstdagen gewenst!
Groetjes van Klaas.
Diever, 14 december 2025
Ds. K. Snijder

