Weet wie je bent, achtergrond en geschiedenis

Inleiding

Wie ben je? Daarop zijn veel antwoorden mogelijk: je naam, je adres, de kleur van je haar en ogen, je leeftijd, je werk, je hobby’s, ‘van wie je er één bent’, je vrienden en nog veel meer.

Wat maakt dat je bent wie je bent? Daarbij zit iets van je uiterlijk, maar veel meer van je innerlijk.

Je achtergrond -je tijd en plaats van geboorte, familie, sociale status en erfelijkheid- hebben er ook van alles mee te maken. Sociologen kunnen daarover boeken vol schrijven- en ze zijn het vaak niet met elkaar eens.

 

Wie zijn wij, de vGK Assen e.o. ‘Oase’?  Het zou wel eens kunnen zijn dat we daar allemaal een min of meer verschillend antwoord op geven, terwijl we ons toch verbonden weten met elkaar.

We zijn gereformeerd, en zelfs ‘voortgezet’, en daarbij nog vrolijk ook!

Maar wat betekent dat eigenlijk? Hoe heeft dat invloed op ons, hoe hebben wij daar invloed op?

 

In deze serie stukjes wil ik iets over onze achtergrond vertellen: een stukje van onze kerke­lijke familiegeschiedenis. Voor een deel is dat een met veel christenen gedeelde geschie­denis. Voor een deel is het de geschiedenis van een relatief kleine groep. Vaak verbaas ik me, wanneer ik lees over mijn ‘voorouders’. Soms ben ik trots op hen en soms begrijp ik helemaal niets van hen en schaam ik me zelfs voor hen- kerkgeschiedenis is inderdaad net familiegeschiedenis!

Want onze kerk staat niet op zichzelf; ze is niet ‘uit de lucht komen vallen’. We geloven, dat de HERE God Zelf met de oprichting en instandhouding van onze kerk te maken heeft. Onze kerk is deel van een groter geheel: van de heilige, algemene, christelijke Kerk, zoals we dat in de geloofsbelijdenis zeggen.

Die grote Kerk van de Here Jezus is over de hele wereld te vinden. Er zijn heel veel verschil­lende verschijningsvormen van – sommige zijn voor ons herkenbaar als ‘zusterkerken’, bij andere kerken hebben wij meer moeite om overeenkomsten te zien. We kunnen de Kerk van Jezus Christus het beste vergelijken met een boom met enorm veel takken en takjes. Eén van die takjes is onze kerk; op de afbeelding zou die onder het lijstje met Nederlandse data en namen staan. Laten we ervoor zorgen, dat het geen dood takje is! Een ‘los’ takje blijft niet lang groen en fris…

 

Hopelijk helpen deze stukjes u en jou om beter te weten wie wij zijn, als christenen in het Nederland van de 21ste eeuw. Veel leesplezier gewenst!

 

Hoe het begon; de eerste eeuwen van de Kerk

Wanneer is het allemaal begonnen met de Kerk van Jezus Christus? De één noemt de geboorte van de Here Jezus als het begin, de ander Zijn opstanding uit de dood. Vaak wordt de uitstorting van de Heilige Geest op het eerste christelijke Pinksterfeest als “geboorte” van de Kerk gezien. In ieder geval heeft de boodschap en het leven van de Here Jezus alles met de Kerk te maken.

Toch is de kerk niet iets totaal nieuws: al voor de geboorte van de Here Jezus waren er mensen die toetraden tot ‘het volk van God’, het volk Israël. In de brief aan de Romeinen lezen we dat de heidenen-christenen zijn ingeplant in Israël: Gods geschiedenis met Zijn mensen gaat van schepping tot herschepping.

Na het Pinksterfeest gingen de discipelen, toen apostelen genoemd, en vele anderen die tot geloof in de Here Jezus waren gekomen met het Evangelie de wereld in. Het begon in het land Israël, maar al tijdens het leven van de Here Jezus was de blijde boodschap over de grenzen van dat land heen gegaan.

Het land Israël was bezet door de Romeinen. Dat was niet iets om blij mee te zijn, maar de Here God gebruikte ook deze bezetting in Zijn plan. De Romeinen legden door hun hele weg goede wegen aan, voor troepentransport en onder andere postdiensten. Dankzij deze wegen was het eenvoudig om het hele Romeinse Rijk rond te reizen met het goede nieuws van Gods Liefde voor de mensen!

Dat nieuws beviel lang niet iedereen; er waren al veel andere godsdiensten in dat grote gebied rond de Middellandse Zee, en de Romeinse keizer was er erg op gebrand om ook zelf als god vereerd te worden. Daarom stierven al vóór het jaar veertig van onze jaartelling de eerste christenen voor hun geloof. In diezelfde tijd werd de naam “christen” voor het eerst gebruikt in Antiochië (in Klein Azië). Lange tijd was het een scheldnaam en regelmatig werden de christenen, soms op gruwelijke wijze, vervolgd.

In korte tijd werden er heel veel gemeentes gesticht in Zuid-Europa, Noord-Afrika, Klein-Azië en zelfs tot in India toe. In die zo verschillende gebieden met hun zo verschillende bevolking geloofden de christenen vaak op een manier die paste bij hun eigen achtergrond. En dat was mede de oorzaak voor de latere kerk-ruzies en -scheuringen.

Tot in de vierde eeuw waren het hoofdzakelijk eenvoudige mensen en zelfs slaven die christen waren. Totdat in 312 de Byzantijnse Keizer Constantijn christen werd en het christelijke geloof tot staatsgodsdienst maakte.  De macht die de kerk als staatskerk kreeg was niet alleen maar positief. Veel mensen lieten zich dopen,  omdat ze in de Here God geloofden, maar om een goede baan te kunnen krijgen. En juist die mensen hadden vaak veel te vertellen in de kerk! In die tijd begonnen gelovigen zich uit “de wereld” terug te trekken om beter de Here God te kunnen dienen; zij waren de eerste monniken.

Er was er al een tijd lang een machtsstrijd tussen de verschillende bisschoppen van de kerk: wie van hen was de belangrijkste?  Uiteindelijk bleven de bisschop van Constantinopel (Istanboel) en die van Rome over als  meest invloedrijke leiders. De bisschop van Rome liet zich “Papa” (=vader) noemen; zo komen we aan de benaming “Paus”.

 

De Kerk breidt zich uit naar noord en west

In de eerste eeuwen had het christendom zich verspreid over grote gebieden rondom de Middellandse Zee en naar het oosten, tot in India toe. Wel bleven er in deze landen veel aanhangers van stamgodsdiensten, en mensen die geloofden in de Romeinse, Griekse, Egyptische en andere goden. Doordat het christelijke geloof steeds meer staatsgodsdienst werd in de genoemde gebieden, hadden christenen in verhouding weinig last van deze godsdiensten. Het gevaar kwam meer van binnenuit, van mensen die voor het krijgen van een baan of invloed in naam christen werden.

In de zevende eeuw veranderde deze situatie. Toen ontstond op het Arabisch schiereiland de Islam. In de Koran werd de opdracht gegeven om de hele wereld te winnen voor Allah. Veel aanhangers van dit nieuwe geloof namen deze opdracht serieus, al is het goed mogelijk dat niet-godsdienstige motieven ook hierbij een rol speelden. In korte tijd verdween het christendom bijna geheel uit Noord-Afrika. In de eeuwen daarna was er regelmatig strijd tussen deze beide zo verschillende godsdiensten. De les die hieruit getrokken kan worden is, dat het van levensbelang is dat mensen uit overtuiging en liefde voor de Here lid zijn van de kerk; anders is de kerk niet bestand tegen aanvallen van buitenaf.

Inmiddels was er in het midden en noorden van Europa veel aan zending gedaan; hele volksstammen waren gedoopt. Het is wel de vraag, hoeveel de meeste mensen echt wisten van hun nieuwe geloof. In ieder geval waren er rond 700 al heel wat christenen en kerkjes in het noorden van Nederland, in Scandinavië, Duitsland en Polen.

Nog steeds was de christelijke kerk officieel, afgezien van enkele ketterse stromingen, een eenheid. Dat veranderde in 1054. Toen accepteerde de “oosterse” kerk, onder leiding van de Patriarch (hoofdbisschop) van Constantinopel, de aanspraken van de Paus als Plaatsvervanger van Christus op aarde en daarmee leider van de Kerk, niet langer. Deze breuk is tot op heden gebleven. De Oosters-Orthodoxe Kerk en de daarmee verwante kerken, bij voorbeeld de Syrisch Orthodoxe Kerk en de Armeense Kerk, zijn verder gegroeid in een heel andere richting dan de westerse kerken. Toch hebben we nog wel veel gemeenschappelijk. Allereerst natuurlijk de Bijbel, en ook de drie ‘algemene’ belijdenisgeschriften: de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel[1] en de Geloofsbelijdenis van Athanasius. Deze belijdenisgeschriften worden door vrijwel alle christenen over de hele wereld in ere gehouden.

Intussen was er in ‘het westen’ (bijna heel Europa) ruzie tussen de elkaar opvolgende Pausen aan de ene kant, en de verschillende keizers en koningen aan de andere kant, over de vraag wie er nu echt de baas was. Het is veelzeggend dat de Paus Karel de Grote tot keizer kroonde! Maar daar waren Karels opvolgers en collega’s lang niet altijd blij mee. Regelmatig stonden de legers van een Paus tegenover de legers van een wereldse vorst. De Pausen werden steeds machtiger en rijker, en ze ‘vergaten’ wel eens om te leven als echte christenen. Daar kwamen diverse kloosterorden tegen in opstand. Maar andere kloosterorden werden zelf rijk en machtig. Het waren ‘donkere Middeleeuwen’. De ‘gewone’ gelovige kon niet lezen of schrijven en werd vaak opzettelijk ‘dom’ gehouden, om te voorkomen dat hij meer invloed zou krijgen. Hij moest gewoon geloven wat er voorgezegd werd. Velen deden dat vol vertrouwen. Maar omdat men zelf niets kon nalezen of bestuderen, was er ook veel bijgeloof. Mensen met een afwijkende mening werden meestal ketters genoemd en uitgestoten uit de Kerk. Dat betekende, zo geloofde men, dat zij niet in de hemel zouden kunnen komen. Vele ketters stierven op de brandstapel.  

Toch ontstonden er in de loop van de eeuwen bewegingen, die de ‘gewone’ mensen meer van het christelijke geloof wilden laten weten, en hen ook de Here Jezus wilden laten volgen. Bekend zijn onder anderen Thomas à Kempis en Johannes Hus.

[1] De Oosters-Orthodoxe Kerk erkent de geloofsbelijdenis van Nicea –zonder de toevoeging ‘Constantinopel’. Dit betekent dat zij belijden dat de Heilige Geest alleen van de Vader en niet van de Zoon uitgaat. Het gevolg is, dat er in deze kerk veel ruimte is voor mystieke openbaring ‘van de Heilige Geest’ buiten Christus –en de Schrift- om.

 

Van Middeleeuwen tot Hervorming

In 1054 was de eerste grote breuk in de christelijke kerk ontstaan. Vanaf dat moment was er sprake van een ‘Oosterse’ en een ‘Westerse’ kerk, die beide met een kerkelijk leider hadden, respectievelijk de patriarch van Constantinopel en de Paus in Rome. De laatste claimde, ondanks de breuk, dat hij het hoofd van de wereldwijde kerk was. In het vervolg concentreren we ons op de kerk in Europa.

 

Het grootste deel van de bevolking kon in de Middeleeuwen niet lezen. De Bijbel was voor hen dus een ‘gesloten boek’. In de kerkdiensten hoorden zij wel voorlezen uit de Bijbel, maar dat gebeurde in de Westerse kerk in het Latijn. De Bijbel was in de vierde eeuw in deze taal, die het Engels van die tijd was, vertaald. Aan alle universiteiten werd Latijn gesproken en wie had gestudeerd kon overal in Europa in deze taal met elkaar spreken en elkaars geschriften lezen. Maar de ‘gewone man’ beheerste deze taal niet. Dat gold overigens ook voor veel priesters en andere ‘lagere geestelijken’. Die kenden soms net genoeg Latijn om de mis te kunnen lezen, maar ook zij begrepen de betekenis van de Bijbelteksten niet goed.

Het gevolg was, dat veel mensen hun eigen ideeën over de Bijbel en het geloof hadden. Ze hielden vast aan allerlei heidense gedachten uit voorchristelijke tijd en er was veel bijgeloof. De verering van heiligen leek te veel op het geloof in diverse goden in het heidendom en al snel werden de heiligen een soort ‘mindere goden’ naast de Here God. Al was dit niet de officiële leer van de kerk, het bijgeloof was vrijwel niet uit te roeien. De angst die dit geloof met zich meebracht werd ook wel uitgebuit om inkomsten voor de Kerk te verwerven.

 

Een volgende grote breuk in de Kerk ontstond, toen de monnik Martinus Luther bij zijn bestudering van de Bijbel in de Romeinenbrief (1:17) ontdekte dat de Here God een genadige God is. Dat veranderde zijn leven radicaal. Hij wilde niets liever dan dat zijn Kerk díe bevrijdende boodschap aan de mensen liet horen, in plaats van hen allerlei lasten op te leggen en angsten aan te jagen. Op 31 oktober 1517 spijkerde hij een Latijns geschrift met 95 stellingen op de deur van de slotkapel te Wittenberg (in Duitsland). Het was zijn bedoeling dat zijn collega-geestelijken deze stellingen zouden lezen wanneer zij de volgende dag, op Allerheiligen, naar de kerk gingen. Hij wilde met deze collega’s in gesprek gaan, om zo de kerk van binnenuit te ‘hervormen’. Inmiddels was echter de boekdrukkunst uitgevonden, en zonder dat Luther dat verwacht of bedoeld had werd zijn geschrift verspreid. Het door hem beoogde positieve gesprek heeft nooit plaatsgevonden. Wel kwamen er ‘onderzoeken’ naar zijn leer door een pauselijke rechtbank, die hem uiteindelijk in de ban deed. Dat betekende dat hij uit de kerk werd gezet; iedereen die dat wilde mocht hem, met toestemming van de Paus, vermoorden! 

 

Luther bleef toch strijden voor zijn geloofsidealen. Hij vertaalde, terwijl hij ondergedoken was, de Bijbel in de volkstaal; dat was in zijn geval het Duits. De talen in Noord-Europa leken toen nog meer op elkaar en dat hielp mee aan de verspreiding van zijn geloofsideeën. Zijn in het Latijn geschreven werken werden door velen in heel Europa gelezen, gehoord, begrepen en nagevolgd. De Kerkhervorming was een feit, al was het eigenlijk een kerkscheuring geworden.

 

De Rooms Katholieke Kerk ging in de hele wereld haar eigen weg en ontwikkelde in de erop volgende eeuwen nog veel leerstellingen, onder andere over Maria en de Paus. Deze leerstellingen deden voor de ‘protestanten’ niet meer ter zake. De volgelingen van Luther vormden uiteindelijk de Lutherse Kerk, die vooral in Scandinavië en Duitsland veel leden telt. De kleine Evangelisch Lutherse Kerk in de Nederlanden ging in 2004 op in de Protestantse Kerk Nederland.

 

De eerste eeuw na de Hervorming

De scheuring van de Roomse Kerk ging na 1517 verder. Al dan niet onder invloed van Luther gingen steeds meer pastoors, priesters, nonnen en monniken nadenken over de Bijbel en de Kerk. Diversen van hen kwamen tot (ongeveer) dezelfde conclusies als Luther. De Rooms Katholieke Kerk bestreed hen letterlijk ‘te vuur en te zwaard’. De inquisitie, de kerkelijke organisatie voor geloofsonderzoek, had de handen aan hen vol. Omdat zij geen onrust in hun gebied wilden steunden de meeste overheden de Rooms Katholieke Kerk steunden bij het zoeken en veroordelen van mensen met een van deze kerk afwijkend geloof.

Deze ‘ketters’ zochten vaak contact met elkaar en velen van hen verlieten de Roomse Kerk. Belangrijke mannen onder hen waren Zwingli, Bucer, Bullinger en Johannes Calvijn, een Franse jurist en priester. Uiteindelijk kwam Calvijn terecht in Genève, waar  hij veel aanhang kreeg. De hele stad werd uiteindelijk ‘ge-reformeerd’ oftewel opnieuw gevormd. Het stadsbestuur koos voor de leer van Calvijn en regelde het maatschappelijke leven volgens de Bijbelse principes zoals Calvijn en zijn volgelingen die zagen. Calvijn moest daarvoor wel water bij de wijn moest doen, omdat juist veel van de rijkste stadsbestuurders zich niet graag wilden aanpassen aan Gods Woord. De overheid wilde een volkskerk, maar niet alle inwoners leefden naar de Bijbelse norm.

Toch is de Bijbeluitleg en inrichting van het kerkelijk leven zoals Calvijn die onder andere in zijn leerboek, de ‘Institutie’, leerde van grote invloed geweest. De mensen hoorden in hun eigen taal, in plaats van in het voor hen onbegrijpelijke Latijn, de grote daden Gods vertellen- het leek wel Pinksterfeest! Volgelingen van Calvijn waren al snel in bijna heel Europa te vinden.

Overal brandde de strijd los tegen deze ‘afvalligen’; de vervolgingen waren heviger dan ooit. Ook in de Nederlanden belandden velen op de brandstapel of werden in het beste geval verbannen met verbeurdverklaring van hun bezit. Maar het bleek niet mogelijk deze beweging uit te roeien. De ‘tachtigjarige oorlog’, die tegenwoordig vaak de Opstand (tegen de koning van Spanje) wordt genoemd, was voor velen in de Nederlanden ook een strijd tegen de overheersing van een rooms-katholieke vorst en rooms-katholieke geestelijken. Daarbij traden ook de protestanten niet altijd zachtzinnig op: kloosters werden geplunderd en verwoest, kerkelijke kunstwerken vernield, geestelijken vermoord. Uiteindelijk was rond 1600 het grootste deel van het huidige Nederland protestants, en meer in het bijzonder calvinistisch, onder een protestantse overheid. Al snel was de Gereformeerde Kerk van grote invloed in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, al was nog geen 20% van de inwoners belijdend lid.

Binnen deze kerk woedde in het begin van de zeventiende eeuw de strijd tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten. De Remonstranten meenden onder andere dat de redding van de mens afhangt van zijn vrije wil.  Ook de burgerlijke overheid en de familie van de Prins van Oranje deden mee in deze strijd, die werd ‘gewonnen’ door de Contra-Remonstranten. De Arminianen of Remonstranten zijn tot in onze tijd een klein, vrijzinnig, geloofsgenootschap gebleven.

De Synode van Dordrecht van de Gereformeerde Kerk in de Nederlanden (gehouden van oktober 1618 tot mei 1619) heeft veel belangrijke knopen doorgehakt. Zo is er een Kerkorde vastgesteld die door diverse protestantse kerken in de hele wereld nog steeds wordt gebruikt en die ook de basis is geweest voor onze Kerkorde. Er werd besloten tot het maken van een verantwoorde Bijbelvertaling; de ‘Statenvertaling’, die klaar was in 1637 en die voor veel ouderen nog vertrouwd is en door enkele kerkgenootschappen nog steeds wordt gebruikt. Daarnaast werden de ‘Dordtse Leerregels’ (of: Artikelen tegen de Remonstranten) opgesteld. Deze artikelen vormen, samen met de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus, de drie Bijzondere Belijdenisgeschriften of ‘Formulieren van Enigheid’ die, samen met de drie algemene Belijdenisgeschriften, nog steeds de Belijdenis van veel protestantse kerken wereldwijd vormen.

 

Van de Synode van Dordrecht (1618-1619) tot de Afscheiding (1834)

In de tijd na de Synode van Dordrecht kreeg het gereformeerde geloof steeds meer een vaste plaats in het leven en denken van de mensen in de Nederlanden. De Statenvertaling van de Bijbel was daarbij belangrijk, omdat daarin het Woord van God in begrijpelijke taal te lezen was. De inwoners van de Zeven Verenigde Nederlanden stichtten kerken, overal in de wereld waar zij door hun handelsreizen kwamen. Dat waren niet alleen kerken voor ‘blanken’, maar ook voor ‘inlanders’. Zo ontstonden diverse zendingskerken, die tegenwoordig voor een groot deel zelfstandig zijn geworden. In onze ogen is het discriminatie om verschillende kerken voor mensen van verschillende rassen te hebben. Voor mensen uit de 17e eeuw was het echter vooruitstrevend, omdat eruit blijkt dat mensen van andere rassen ook als mensen met een ziel werden gezien; ook zij kunnen door het geloof in Christus verlost worden! Dit was een eerste scheur in het denken over slavernij.

 

In de zeventiende en achttiende eeuw gingen geleerden en in hun kielzog ook minder geleerde mensen steeds meer nadenken zonder dat de Bijbel en de christelijke normen hierbij een rol speelden. Ze baseerden zich op de gedachten van filosofen uit de Griekse en Romeinse oudheid. Het verstand werd voor veel mensen belangrijker dan het geloof: wie iets niet kon begrijpen hoefde dat ook niet te geloven. Deze houding had uiteraard invloed op het geloof van veel mensen. Ook in de kerken was de invloed van deze  zogenaamde ‘Verlichting’ te merken; geloven werd een manier om als goede burger te leren leven. Het hart was op veel plaatsten weg uit kerk en geloof.

 

Aan het begin van de 19e eeuw, na de overheersing door de Fransen, werd ons land een koninkrijk, met als koning Willem I, een verre opvolger van stadhouder Prins Willem van Oranje, maar met veel grotere invloed. De regering bepaalde in 1815 dat de Nederlandse Hervormde Kerk (dat was de nieuwe naam van de Gereformeerde Kerk) de Staatskerk zou zijn. Rooms-katholieken hadden in het nieuwe koninkrijk geen recht op een eigen kerkorganisatie, andere geloofsrichtingen moesten toestemming vragen om te mogen bestaan en kerkdiensten te houden. Die toestemming werd lang niet altijd gegeven. Wanneer die wel werd gegeven kreeg men van staatswege een ‘reglement’ waaraan men zich moest houden. De kerk moest de mensen opvoeden tot verdraagzame en verstandige burgers, waarbij de Bijbel een goed hulpmiddel kon zijn.

 

Ondanks deze breed gedragen mening waren er ook mensen die het persoonlijk geloof en de overgave aan de Here Jezus in het dagelijks leven belangrijk bleven vinden. Zij kwamen, vaak in het geheim, bijeen in kringen of conventikels. Een enkele predikant had ook moeite met de geest van vrijzinnigheid die er in de Nederlandse Hervormde Kerk heerste.   

In de dertiger jaren van de negentiende eeuw kon Ds Hendrik de Cock niet langer kon zwijgen over de on-Bijbelse leer binnen zijn kerk. Toen hij in zijn derde gemeente, Ulrum, stond, had hij de gereformeerde belijdenis leren kennen. Het verbaast ons dat hij die belijdenis niet eerder kende, maar in die tijd waren de belijdenisgeschriften in de vergetelheid geraakt, omdat de meeste theologen ze ‘ouderwetse onzin’ vonden.

Ds de Cocks bijbelgetrouwe prediking trok mensen uit de wijde omtrek en dat werd door zijn collega’s niet gewaardeerd. Op een gegeven moment vroegen  mensen die niet in zijn gemeente woonden hem om hun kinderen te dopen, zonder dat hun eigen kerkenraad daarvoor toestemming had gegeven. Daarmee was het probleem helemaal uit de hand gelopen. Over en weer schreven hij en andere predikanten felle en kwetsende geschriften tegen elkaar. Uiteindelijk zette het provinciale kerkbestuur Ds de Cock in 1833 af. Maar hij was niet van plan zijn standpunten te herzien: in 1834 schreef ‘zijn’ kerkenraad van Ulrum een ‘acte van Afscheiding of Wederkeering’. Hierin schreef de kerkenraad van Ulrum dat men zich afscheidde van de ‘Synodale hervormde of Liberale kerk’ en wederkeerde ‘tot de gronden (principes) onzer vaderen’.

 

De tijd van de Afscheiding

In 1834 schreef de kerkenraad van Ulrum onder leiding van Ds Hendrik de Cock een ‘acte van Afscheiding of Wederkeering’. Deze kerk wilde terugkeren naar de ‘oude’ en vooral Bijbelse principes van de Gereformeerde Kerk zoals die in vorige eeuwen in Nederland had bestaan.  Enkele andere predikanten en veel gemeenteleden uit allerlei andere kerken, vooral in het noorden van het land, volgden dit voorbeeld. Zo kwamen er ook op andere plaatsen ‘afgescheiden’ kerkjes. In Smilde ontstond de tweede afgescheiden gemeente, maar enkele weken na die van Ulrum.

Vaak waren het maar kleine groepen gelovigen. De meesten leden waren eenvoudige en niet welgestelde mensen. Gewoonlijk hadden deze kleine gemeentes geen predikant maar werden ze gediend door een ‘oefenaar’ of ‘lerend ouderling’.

Al kwam er geen grote uittocht uit de Hervormde Kerk, toch was men in die kerk niet blij met de aanvallen die er op de officiële leer werden gedaan. Binnen de Hervormde Kerk waren ook voorgangers die opriepen tot trouw aan de Schrift én aan de Vaderlandse Kerk, die werd gezien als een ‘planting Gods’. Zij hielden de mensen voor dat, wanneer de Here God in een land een kerk geeft, een gelovige die kerk niet mag verlaten, maar moet proberen deze kerk zo dicht mogelijk bij Gods Woord te houden. Deze overtuiging klinkt ook nog in de 21ste eeuw, met name binnen de Gereformeerde Bond in de – nu – PKN. Overigens is de Gereformeerde Bond pas aan het begin van de 20ste eeuw opgericht.

Om terug te keren naar de 19e eeuw: er was een wet die de overheid toestemming gaf om vergaderingen van meer dan twintig mensen te verbieden. Zo kon onrust in het land de kop worden ingedrukt – de Franse tijd was nog niet zo lang geleden! Deze wet werd ook gebruikt om afgescheiden kerkdiensten uiteen te jagen en voorgangers te arresteren of te beboeten. Die boetes waren niet mals: het bezoeken van zo’n verboden ‘kerkdienst’ kon zomaar een maandsalaris boete opleveren. Soms werden soldaten ingekwartierd bij mensen die hun huiskamer beschikbaar stelden voor afgescheiden samenkomsten. En toch groeide de afgescheiden beweging. Binnen een paar jaar waren er tientallen kleine gemeentes die elkaar vonden in een kerkverband, voor steun en opbouw.

Uiteindelijk zijn veel afgescheidenen, onder andere onder leiding van Ds Simon van Velzen,  geëmigreerd, vooral naar de Verenigde Staten. Zo komt het dat er in de Verenigde Staten en Canada nog veel ‘reformed churches’ zijn. En net als in Nederland zijn daar gereformeerden in diverse ‘smaken’.

 

Er werd lang over een naam voor de afgescheiden kerken gestreden. De afgescheidenen wilden de band met de Kerk van vroeger, waarvan men zich de voortzetting voelde, vasthouden. Daarom kozen zij voor ‘Gereformeerde Kerk’. Maar de regering gaf geen toestemming om deze naam te gebruiken; de Hervormde Kerk was immers de Gereformeerde Kerk; gereformeerd betekent hetzelfde als hervormd. Uiteindelijk werd men het eens over ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Binnen deze kerk vonden diverse gemeentes, sommige met en andere zonder staats-erkenning, een plekje. Andere gemeentes bleven zelfstandig, omdat ze niet wilden toegeven aan eisen van de overheid. Zij werden ‘kruiskerken’ genoemd, zoals er ook in de 16e eeuw kerken onder het kruis waren: toen waren het kerken die door de Spaansgezinde rooms-katholieke overheid werden vervolgd.

Omdat er grote behoefte was aan voorgangers voor de verschillende gemeentes begon Ds de Cock al snel met het aan huis opleiden van predikanten. Een paar jaar later was er ook in Dwingeloo een predikantenopleiding, opnieuw bij een predikant aan huis. De meeste ‘studenten’ woonden bij hem in huis. Ze werden zo goed mogelijk opgeleid: in ieder geval moesten ze de Bijbel in het Grieks en zo mogelijk in het Hebreeuws kunnen lezen en werden ze getraind in Bijbelkennis, de kennis van de belijdenis en de oude gereformeerde geschriften. Wanneer de predikant die de opleiding gaf een beroep aannam, verhuisde de opleiding mee. Er zijn in die tijd veel offers gebracht, door gemeenteleden en voorgangers, voor het zuivere Bijbelse geloof. Dat is iets om bij stil te staan…….

 

Van Afscheiding naar Doleantie

In de loop van de 19e eeuw ontstond er voor de ‘afgescheidenen’ (beperkte) vrijheid om het eigen kerkelijke leven in te richten. De beperking zat in eerste instantie in tegenwerking van de kant van de overheid. Later zat de beperking daarom vooral in de beperkte mogelijkheden van de ‘kleine luiden’ die het grootste deel van deze gemeenten uitmaakten. Letterlijk met centen en halve centen werden kerkjes en schooltjes gesticht en de karige salarissen van predikanten en onderwijzers bijeen gebracht. Onderwijzeressen waren er in die tijd nauwelijks of niet: meisjes kregen gewoonlijk hooguit een paar jaar lager onderwijs, ‘want meisjes trouwen toch’ en wanneer een vrouw trouwde stopte zij (verplicht!) met werken. Een vrouw mocht immers niet de arbeidsplaats innemen van een man die voor het onderhoud van zijn gezin moest zorgen.

Mensen spaarden zich het brood uit de mond om hun kinderen naar een schooltje te kunnen sturen waar niet het ‘neutrale’ onderwijs vanuit de overheid werd gegeven, maar waar de leerkrachten vanuit het Bijbelse geloof les gaven en leefden. Van overheidssubsidie zoals die tegenwoordig ook voor christelijke scholen gewoon is was geen sprake. In 1878 gingen gereformeerde voormannen met een volkspetitionnement ‘naar de koning’ – inmiddels was dit koning Willem III- om te vragen om gelijkberechtiging van de christelijke scholen. Iedere burger is immers vrij om voor zijn kinderen onderwijs te kiezen dat bij hen past! Dat was een boute uitspraak, maar de koning willigde hun wens in.

De leerlingen van de christelijke scholen moesten soms een uur of langer naar school en na schooltijd weer terug lopen. Ook hen kostte het christelijke onderwijs iets- al was het niet een tijd waarin kinderen hierin inspraak (of een mening?) hadden. Toch gaf het hen veel: ze leerden ‘Psalmversjes’ die ze ’s zondags in de kerk konden meezingen en die ze tot op hun sterfbed in hun hart bewaarden. De belijdenisgeschriften hoorden ook bij het onderwijsprogramma. En de ‘meester’ vertelde de prachtige Bijbelse geschiedenis! Zo werden nieuwe generaties gereformeerden gevormd voor het leven. Ze werden niet alleen thuis en in de kerk en de kerkelijke verenigingen, maar ook op school gevoed met het Brood des Levens. Iedere psycholoog kan bevestigen hoe belangrijk het voor een kind is wanner er harmonie is tussen de sfeer van gezin, kerk en school- al zullen moderne psychologen de Kerk daarbij wel eens vergeten of vervangen door iets anders.

 

In 1886 was er opnieuw een groot conflict in de Nederlandse Hervormde Kerk. Weer was de aanleiding het moderne, niet Bijbelgetrouwe denken. Er was een geschil in de Amsterdamse Hervormde kerkenraad over de vraag of jonge mensen die door een vrijzinnige[1] predikant waren toegelaten tot het doen van openbare geloofsbelijdenis -en die zelf vaak ook ‘vrijzinnig’ waren- konden worden toegelaten als belijdend lid in een orthodoxe[2] gemeente. De onenigheid hierover mondde uit in een meningsverschil over wie de rechtmatige eigenaar van de kerkelijke eigendommen was. Deze kwestie leidde tot een nieuwe scheuring in de Hervormde Kerk. De predikanten en kerkenraden die geschorst werden noemden zichzelf ‘dolerenden’, dat wil zeggen ‘treurenden’-  omdat men hen de kerkelijke goederen onthield. Befaamde is de ‘paneelzagerij’: een aantal orthodoxe kerkenraadsleden zaagde een paneel uit de deur van de consistorie van de Nieuwe Kerk in Amsterdam, om zo bij de kerkelijke administratie te komen. Vrijzinnige kerkenraadsleden hadden deze deur op slot gedaan om te voorkomen dat de orthodoxen deze administratie in handen zouden krijgen. 

De naam van de nieuwe kerken die ontstonden werd Nederduitse Gereformeerde Kerken. Hun grote leider was Dr Abraham Kuyper.

[1] Vrijzinnig betekent dat het niet uitmaakt of iemand de Bijbel wel of niet letterlijk neemt- iedereen mag geloven zoals hij of zij dat zelf wil en daarover mag een ander geen (negatief) oordeel hebben. Er kan dus ook niet op basis van de Bijbel een oordeel worden gegeven of iets wel of niet past binnen de kerk of het christelijk geloof. Belijdenisgeschriften zijn dan ook van weinig of geen waarde.

[2] Orthodox betekent: ‘recht in de leer’: de Bijbel is norm en richtlijn voor geloof en leven.

————————-

Over 14 dagen een volgend stukje …….