Weet wie je bent, achtergrond en geschiedenis

Inleiding

Wie ben je? Daarop zijn veel antwoorden mogelijk: je naam, je adres, de kleur van je haar en ogen, je leeftijd, je werk, je hobby’s, ‘van wie je er één bent’, je vrienden en nog veel meer.

Wat maakt dat je bent wie je bent? Daarbij zit iets van je uiterlijk, maar veel meer van je innerlijk.

Je achtergrond -je tijd en plaats van geboorte, familie, sociale status en erfelijkheid- hebben er ook van alles mee te maken. Sociologen kunnen daarover boeken vol schrijven- en ze zijn het vaak niet met elkaar eens.

 

Wie zijn wij, de vGK Assen e.o. ‘Oase’?  Het zou wel eens kunnen zijn dat we daar allemaal een min of meer verschillend antwoord op geven, terwijl we ons toch verbonden weten met elkaar.

We zijn gereformeerd, en zelfs ‘voortgezet’, en daarbij nog vrolijk ook!

Maar wat betekent dat eigenlijk? Hoe heeft dat invloed op ons, hoe hebben wij daar invloed op?

 

In deze serie stukjes wil ik iets over onze achtergrond vertellen: een stukje van onze kerke­lijke familiegeschiedenis. Voor een deel is dat een met veel christenen gedeelde geschie­denis. Voor een deel is het de geschiedenis van een relatief kleine groep. Vaak verbaas ik me, wanneer ik lees over mijn ‘voorouders’. Soms ben ik trots op hen en soms begrijp ik helemaal niets van hen en schaam ik me zelfs voor hen- kerkgeschiedenis is inderdaad net familiegeschiedenis!

Want onze kerk staat niet op zichzelf; ze is niet ‘uit de lucht komen vallen’. We geloven, dat de HERE God Zelf met de oprichting en instandhouding van onze kerk te maken heeft. Onze kerk is deel van een groter geheel: van de heilige, algemene, christelijke Kerk, zoals we dat in de geloofsbelijdenis zeggen.

Die grote Kerk van de Here Jezus is over de hele wereld te vinden. Er zijn heel veel verschil­lende verschijningsvormen van – sommige zijn voor ons herkenbaar als ‘zusterkerken’, bij andere kerken hebben wij meer moeite om overeenkomsten te zien. We kunnen de Kerk van Jezus Christus het beste vergelijken met een boom met enorm veel takken en takjes. Eén van die takjes is onze kerk; op de afbeelding zou die onder het lijstje met Nederlandse data en namen staan. Laten we ervoor zorgen, dat het geen dood takje is! Een ‘los’ takje blijft niet lang groen en fris…

 

Hopelijk helpen deze stukjes u en jou om beter te weten wie wij zijn, als christenen in het Nederland van de 21ste eeuw. Veel leesplezier gewenst!

 

Hoe het begon; de eerste eeuwen van de Kerk

Wanneer is het allemaal begonnen met de Kerk van Jezus Christus? De één noemt de geboorte van de Here Jezus als het begin, de ander Zijn opstanding uit de dood. Vaak wordt de uitstorting van de Heilige Geest op het eerste christelijke Pinksterfeest als “geboorte” van de Kerk gezien. In ieder geval heeft de boodschap en het leven van de Here Jezus alles met de Kerk te maken.

Toch is de kerk niet iets totaal nieuws: al voor de geboorte van de Here Jezus waren er mensen die toetraden tot ‘het volk van God’, het volk Israël. In de brief aan de Romeinen lezen we dat de heidenen-christenen zijn ingeplant in Israël: Gods geschiedenis met Zijn mensen gaat van schepping tot herschepping.

Na het Pinksterfeest gingen de discipelen, toen apostelen genoemd, en vele anderen die tot geloof in de Here Jezus waren gekomen met het Evangelie de wereld in. Het begon in het land Israël, maar al tijdens het leven van de Here Jezus was de blijde boodschap over de grenzen van dat land heen gegaan.

Het land Israël was bezet door de Romeinen. Dat was niet iets om blij mee te zijn, maar de Here God gebruikte ook deze bezetting in Zijn plan. De Romeinen legden door hun hele weg goede wegen aan, voor troepentransport en onder andere postdiensten. Dankzij deze wegen was het eenvoudig om het hele Romeinse Rijk rond te reizen met het goede nieuws van Gods Liefde voor de mensen!

Dat nieuws beviel lang niet iedereen; er waren al veel andere godsdiensten in dat grote gebied rond de Middellandse Zee, en de Romeinse keizer was er erg op gebrand om ook zelf als god vereerd te worden. Daarom stierven al vóór het jaar veertig van onze jaartelling de eerste christenen voor hun geloof. In diezelfde tijd werd de naam “christen” voor het eerst gebruikt in Antiochië (in Klein Azië). Lange tijd was het een scheldnaam en regelmatig werden de christenen, soms op gruwelijke wijze, vervolgd.

In korte tijd werden er heel veel gemeentes gesticht in Zuid-Europa, Noord-Afrika, Klein-Azië en zelfs tot in India toe. In die zo verschillende gebieden met hun zo verschillende bevolking geloofden de christenen vaak op een manier die paste bij hun eigen achtergrond. En dat was mede de oorzaak voor de latere kerk-ruzies en -scheuringen.

Tot in de vierde eeuw waren het hoofdzakelijk eenvoudige mensen en zelfs slaven die christen waren. Totdat in 312 de Byzantijnse Keizer Constantijn christen werd en het christelijke geloof tot staatsgodsdienst maakte.  De macht die de kerk als staatskerk kreeg was niet alleen maar positief. Veel mensen lieten zich dopen,  omdat ze in de Here God geloofden, maar om een goede baan te kunnen krijgen. En juist die mensen hadden vaak veel te vertellen in de kerk! In die tijd begonnen gelovigen zich uit “de wereld” terug te trekken om beter de Here God te kunnen dienen; zij waren de eerste monniken.

Er was er al een tijd lang een machtsstrijd tussen de verschillende bisschoppen van de kerk: wie van hen was de belangrijkste?  Uiteindelijk bleven de bisschop van Constantinopel (Istanboel) en die van Rome over als  meest invloedrijke leiders. De bisschop van Rome liet zich “Papa” (=vader) noemen; zo komen we aan de benaming “Paus”.

 

De Kerk breidt zich uit naar noord en west

In de eerste eeuwen had het christendom zich verspreid over grote gebieden rondom de Middellandse Zee en naar het oosten, tot in India toe. Wel bleven er in deze landen veel aanhangers van stamgodsdiensten, en mensen die geloofden in de Romeinse, Griekse, Egyptische en andere goden. Doordat het christelijke geloof steeds meer staatsgodsdienst werd in de genoemde gebieden, hadden christenen in verhouding weinig last van deze godsdiensten. Het gevaar kwam meer van binnenuit, van mensen die voor het krijgen van een baan of invloed in naam christen werden.

In de zevende eeuw veranderde deze situatie. Toen ontstond op het Arabisch schiereiland de Islam. In de Koran werd de opdracht gegeven om de hele wereld te winnen voor Allah. Veel aanhangers van dit nieuwe geloof namen deze opdracht serieus, al is het goed mogelijk dat niet-godsdienstige motieven ook hierbij een rol speelden. In korte tijd verdween het christendom bijna geheel uit Noord-Afrika. In de eeuwen daarna was er regelmatig strijd tussen deze beide zo verschillende godsdiensten. De les die hieruit getrokken kan worden is, dat het van levensbelang is dat mensen uit overtuiging en liefde voor de Here lid zijn van de kerk; anders is de kerk niet bestand tegen aanvallen van buitenaf.

Inmiddels was er in het midden en noorden van Europa veel aan zending gedaan; hele volksstammen waren gedoopt. Het is wel de vraag, hoeveel de meeste mensen echt wisten van hun nieuwe geloof. In ieder geval waren er rond 700 al heel wat christenen en kerkjes in het noorden van Nederland, in Scandinavië, Duitsland en Polen.

Nog steeds was de christelijke kerk officieel, afgezien van enkele ketterse stromingen, een eenheid. Dat veranderde in 1054. Toen accepteerde de “oosterse” kerk, onder leiding van de Patriarch (hoofdbisschop) van Constantinopel, de aanspraken van de Paus als Plaatsvervanger van Christus op aarde en daarmee leider van de Kerk, niet langer. Deze breuk is tot op heden gebleven. De Oosters-Orthodoxe Kerk en de daarmee verwante kerken, bij voorbeeld de Syrisch Orthodoxe Kerk en de Armeense Kerk, zijn verder gegroeid in een heel andere richting dan de westerse kerken. Toch hebben we nog wel veel gemeenschappelijk. Allereerst natuurlijk de Bijbel, en ook de drie ‘algemene’ belijdenisgeschriften: de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel[1] en de Geloofsbelijdenis van Athanasius. Deze belijdenisgeschriften worden door vrijwel alle christenen over de hele wereld in ere gehouden.

Intussen was er in ‘het westen’ (bijna heel Europa) ruzie tussen de elkaar opvolgende Pausen aan de ene kant, en de verschillende keizers en koningen aan de andere kant, over de vraag wie er nu echt de baas was. Het is veelzeggend dat de Paus Karel de Grote tot keizer kroonde! Maar daar waren Karels opvolgers en collega’s lang niet altijd blij mee. Regelmatig stonden de legers van een Paus tegenover de legers van een wereldse vorst. De Pausen werden steeds machtiger en rijker, en ze ‘vergaten’ wel eens om te leven als echte christenen. Daar kwamen diverse kloosterorden tegen in opstand. Maar andere kloosterorden werden zelf rijk en machtig. Het waren ‘donkere Middeleeuwen’. De ‘gewone’ gelovige kon niet lezen of schrijven en werd vaak opzettelijk ‘dom’ gehouden, om te voorkomen dat hij meer invloed zou krijgen. Hij moest gewoon geloven wat er voorgezegd werd. Velen deden dat vol vertrouwen. Maar omdat men zelf niets kon nalezen of bestuderen, was er ook veel bijgeloof. Mensen met een afwijkende mening werden meestal ketters genoemd en uitgestoten uit de Kerk. Dat betekende, zo geloofde men, dat zij niet in de hemel zouden kunnen komen. Vele ketters stierven op de brandstapel.  

Toch ontstonden er in de loop van de eeuwen bewegingen, die de ‘gewone’ mensen meer van het christelijke geloof wilden laten weten, en hen ook de Here Jezus wilden laten volgen. Bekend zijn onder anderen Thomas à Kempis en Johannes Hus.

[1] De Oosters-Orthodoxe Kerk erkent de geloofsbelijdenis van Nicea –zonder de toevoeging ‘Constantinopel’. Dit betekent dat zij belijden dat de Heilige Geest alleen van de Vader en niet van de Zoon uitgaat. Het gevolg is, dat er in deze kerk veel ruimte is voor mystieke openbaring ‘van de Heilige Geest’ buiten Christus –en de Schrift- om.

 

Van Middeleeuwen tot Hervorming

In 1054 was de eerste grote breuk in de christelijke kerk ontstaan. Vanaf dat moment was er sprake van een ‘Oosterse’ en een ‘Westerse’ kerk, die beide met een kerkelijk leider hadden, respectievelijk de patriarch van Constantinopel en de Paus in Rome. De laatste claimde, ondanks de breuk, dat hij het hoofd van de wereldwijde kerk was. In het vervolg concentreren we ons op de kerk in Europa.

 

Het grootste deel van de bevolking kon in de Middeleeuwen niet lezen. De Bijbel was voor hen dus een ‘gesloten boek’. In de kerkdiensten hoorden zij wel voorlezen uit de Bijbel, maar dat gebeurde in de Westerse kerk in het Latijn. De Bijbel was in de vierde eeuw in deze taal, die het Engels van die tijd was, vertaald. Aan alle universiteiten werd Latijn gesproken en wie had gestudeerd kon overal in Europa in deze taal met elkaar spreken en elkaars geschriften lezen. Maar de ‘gewone man’ beheerste deze taal niet. Dat gold overigens ook voor veel priesters en andere ‘lagere geestelijken’. Die kenden soms net genoeg Latijn om de mis te kunnen lezen, maar ook zij begrepen de betekenis van de Bijbelteksten niet goed.

Het gevolg was, dat veel mensen hun eigen ideeën over de Bijbel en het geloof hadden. Ze hielden vast aan allerlei heidense gedachten uit voorchristelijke tijd en er was veel bijgeloof. De verering van heiligen leek te veel op het geloof in diverse goden in het heidendom en al snel werden de heiligen een soort ‘mindere goden’ naast de Here God. Al was dit niet de officiële leer van de kerk, het bijgeloof was vrijwel niet uit te roeien. De angst die dit geloof met zich meebracht werd ook wel uitgebuit om inkomsten voor de Kerk te verwerven.

 

Een volgende grote breuk in de Kerk ontstond, toen de monnik Martinus Luther bij zijn bestudering van de Bijbel in de Romeinenbrief (1:17) ontdekte dat de Here God een genadige God is. Dat veranderde zijn leven radicaal. Hij wilde niets liever dan dat zijn Kerk díe bevrijdende boodschap aan de mensen liet horen, in plaats van hen allerlei lasten op te leggen en angsten aan te jagen. Op 31 oktober 1517 spijkerde hij een Latijns geschrift met 95 stellingen op de deur van de slotkapel te Wittenberg (in Duitsland). Het was zijn bedoeling dat zijn collega-geestelijken deze stellingen zouden lezen wanneer zij de volgende dag, op Allerheiligen, naar de kerk gingen. Hij wilde met deze collega’s in gesprek gaan, om zo de kerk van binnenuit te ‘hervormen’. Inmiddels was echter de boekdrukkunst uitgevonden, en zonder dat Luther dat verwacht of bedoeld had werd zijn geschrift verspreid. Het door hem beoogde positieve gesprek heeft nooit plaatsgevonden. Wel kwamen er ‘onderzoeken’ naar zijn leer door een pauselijke rechtbank, die hem uiteindelijk in de ban deed. Dat betekende dat hij uit de kerk werd gezet; iedereen die dat wilde mocht hem, met toestemming van de Paus, vermoorden! 

 

Luther bleef toch strijden voor zijn geloofsidealen. Hij vertaalde, terwijl hij ondergedoken was, de Bijbel in de volkstaal; dat was in zijn geval het Duits. De talen in Noord-Europa leken toen nog meer op elkaar en dat hielp mee aan de verspreiding van zijn geloofsideeën. Zijn in het Latijn geschreven werken werden door velen in heel Europa gelezen, gehoord, begrepen en nagevolgd. De Kerkhervorming was een feit, al was het eigenlijk een kerkscheuring geworden.

 

De Rooms Katholieke Kerk ging in de hele wereld haar eigen weg en ontwikkelde in de erop volgende eeuwen nog veel leerstellingen, onder andere over Maria en de Paus. Deze leerstellingen deden voor de ‘protestanten’ niet meer ter zake. De volgelingen van Luther vormden uiteindelijk de Lutherse Kerk, die vooral in Scandinavië en Duitsland veel leden telt. De kleine Evangelisch Lutherse Kerk in de Nederlanden ging in 2004 op in de Protestantse Kerk Nederland.

————————-

Over 14 dagen een volgend stukje …….